Oude Tijd

Oude Wijsheden voor een Nieuwe Tijd - Zoeken

Het rijk van de nacht

Volksgeloof in Vlaanderen

Wanneer de volksmens voor raadsels werd geplaatst zocht hij dikwijls zijn toevlucht tot het volksgeloof, waarmee aan elke gebeurtenis uit de dagelijkse leven een hogere zin en betekenis werd gegeven. Zuiver menselijke gevoelens van angst en vrees voor het onbekende hebben hierbij steeds een uitermate belangrijke rol gespeeld. In zijn bijgeloof vertrok de mens van zijn opvatting dat alles bezield was met goede en boze geesten. Dat hij meestal onder invloed van deze laatste stond kwam duidelijk tot uiting.

Onder allerlei gedaanten deden de kwade geesten zich aan onze voorouders voor. De nacht werd door hen bij uitstek als vijandig ervaren. Alleen wie daartoe echt genoodzaakt was waagde zich in de nachtelijke duisternis.

Heksen

heksen en tovenaars

Het rijk van de nacht behoorde voor een groot deel aan de heksen toe. Zij hadden hun kunst geleerd of geërfd van een kwade geest of door tussenkomst van een andere heks. Soms putten de heksen hun wijsheid ook uit toverboeken. Op hun nachtelijke bijeenkomsten oefenden zij zich in zwarte kunst waarbij zij soms de gedaante van een dier aannamen, vooral de zwarte kat genoot hun voorkeur. Op het voorwerp dat heksen willen betoveren legden zij de (kwade) hand en bekeken het (boze oog), vervolgens gaven zij een geschenk dat door aanraking het kwaad veroorzaakte. Heksen bereidden ook toverdranken waarbij zij vooral gebruik maakten van het sap van de alruinwortel of Mandragora, een plant waaraan een sterke magische kracht werd toegekend.

Om de toverhandelingen van de heks tegen te gaan ontleende het volksgeloof talrijke middelen aan de religie: het kruisteken, gewijd water of gewijde palm, maar vooral het gebed van Keizer Karel bleek zeer afdoende te zijn. Aan dit gebed werd een afwerende kracht toegekend tegen allerlei ziekten, een vroegtijdige dood, verdrinking, verbranding, vergiftiging en nog veel ander onheil.

Kwelgeesten

Niet enkel heksen maakten het onze voorouders moeilijk. Een hele reeks kwelgeesten stonden voortdurend paraat om hun het leven zuur te maken. Een belangrijke boosaardige geest was de Kludde. Meestal doolde hij 's nachts rond, gehuld in een zwart hondsvel met een keten om de hals, en viel zo de mensen op het lijf. Kludde kwam langs de Schelde voor als 'Nekker' of watergeest. Vooral in Antwerpen is deze waterduivel overbekend als 'Lange Wapper', terwijl in het Waasland een gelijkaardige geest berucht is als 'Osschaart'.

Kwelgeesten kwamen nog onder tal van andere benamingen voor, waaronder de nachtmare of nachtmerrie de meest bekende is. De mens, maar meer nog het paard, werd door deze kwelgeest als slachtoffer gekozen. De mare bereed het paard soms de hele nacht door, zodat het tegen de morgen uitgeput en bezweet op stal stond. Om de mare te weren werd er de volgende bezweringsformule gepreveld:

'O maer, gij lelijk dier,
Komt toch deze nacht niet hier;
Alle waters zult gij waeijen;
Alle bomen zult gij blaeijen,
Alle spieren zult gij tellen,
Komt mij deze nacht niet quellen.'

(waeijen: doorwaden / blaeijen: ontbladeren / spieren: gerst)

weerwolf boekzitting ronse

Niet minder berucht was de weerwolf. Weerwolven waren geen geesten, maar mensen die hun ziel aan de duivel hadden verkocht en hierdoor verplicht waren om iedere nacht op aarde rond te dolen. Zij namen meestal de gedaante van een grote zwarte of bruinrossige hond aan en bezaten een speciaal vel, het weerwolfsvel, dat zij 's nachts aantrokken. Er werd verteld dat er in een gezin van zeven zonen er meestal één voorbestemd was om weerwolf te worden.

Tot het rijk der vuurgeesten behoorden de dwaallichtjes, die 's nachts boven de moerassen en velden bleven rondzweven. Van kinderen die zonder doopsel waren gestorven geloofde men dat hun zieltjes veranderden in dwaallichtjes. Zij lokten soms de argeloze voorbijganger naar zich toe, in de hoop nog gedoopt te worden. Ook de vuurgeesten konden zich onder verschillende gedaanten voordoen: als vuurman, brandende schepen, brandende schoof, hellewagen, vuurkaros, bloedkaros, draak of vuurspuwend monster. Deze laatsten verbleven bij voorkeur in nabijheid van betoverde kastelen, waar zij een prinses of verborgen schat bewaakten.

Een wit wijf of witte juffer behoorde tot de aardgeesten, hoewel ze zich toch meestal zwevend vertoonden. Tenzij ze werden uitgedaagd, lieten deze geesten de wandelaars met rust.

Als echte luchtgeesten staan vooral de Bokkenrijders bekend. Zij kwamen voor in het Limburgse, waar zij als heksen en geesten op een bok door het luchtruim ijlden. De naam Bokkenrijders werd later overgenomen door de beruchte moordenaarsbenden die vooral in de achttiende eeuw het Limburgse onveilig maakten.